Met
een voertuig wordt niet alleen overdag bij helder
weer gereden. Daarom hebben de fabrikanten de voertuigen
voorzien van lichten en reflectoren.
In dit hoofdstuk gaan we na met welke lichten een
voertuig is uitgerust en wanneer de lichten 'moeten'
of 'mogen' gebruikt worden.
|
|
INHOUD:
DE LICHTEN
De aanwezige lichten
- 1. Voorkant
- 2. Achterkant
Hoe stralen de lichten?
GEBRUIK VAN DE LICHTEN
Enkele basisregels
- 1. Nut van de lichten
- 2. Belangrijk
De dimlichten
- 1. Regels 's nachts en overdag
- 2. Rijden in tunnels
De grootlichten
- 1. Regels 's nachts en overdag
- 2. Wanneer is het gebruik van de grootlichten
verboden?
De stadslichten
DE MISTLICHTEN
De voorste mistlichten
- 1. Wanneer?
- 2. Combinaties
Het mistachterlicht
- 1. Wanneer?
RICHTINGSAANWIJZERS
De richtingsaanwijzer
- 1. Wanneer is het gebruik van de richtingsaanwijzer
nodig?
- 2. Regels
De richtingsaanwijzer bij het inhalen
- 1. De situatie op de rijbaan inschatten
- 2. De knipperlichten
- 3. Animaties
De waarschuwingsknipperlichten
- 1. Wanneer mogen zij gebruikt worden?
- 2. De gevarendriehoek
DE OVERIGE LICHTEN
De remlichten
- 1. Wat?
- 2. Regels
Bermlicht, richtlicht, markeringslicht
- 1. Bermlicht
- 1. Richtlicht
- 2. Markeringslicht
GEBRUIK VAN DE LICHTEN TIJDENS HET PARKEREN
Parkeren
- 1. Overdag en normaal zicht
- 2. Overdag en slecht zicht
- 3. 's Nachts
|
|
|